Recensie ‘Kracht en kwetsbaarheid, over het leven van hoogbegaafde volwassenen’

De hier volgende recensie schreef ik voor MB Berichten van de Mensa.
Helaas werd op verzoek van een van de auteurs de recensie niet gepubliceerd.

Het boek ‘Kracht en kwetsbaarheid’, is een informatief boek over hoogbegaafdheid. Het geeft een bredere kijk op begaafdheid en de vele mogelijke verschijningsvormen ervan. Voor de geïnteresseerde kan het veel informatie en herkenning geven.

Na een inleiding, een beschrijving van het Delphi-model hoogbegaafdheid, een hoofdstuk over beeldvorming en vooroordelen, volgen acht hoofdstukken waarin een chronologische ontwikkeling van baby tot volwassene wordt beschreven. In deze hoofdstukken gaat het over scholing, familie, opvoeding, relaties en carrière.

Anders dan veel andere boeken over hoogbegaafdheid, is het gebaseerd op verhalen en informatie van ‘door de auteurs groepsgewijs samengebrachte mensen die naar hun oordeel hoogbegaafd zijn’. Aan de hand van het Delphi-model hoogbegaafdheid, opgesteld door Van Thiel in 2008, is gekeken hoe en op welke wijze de kenmerken van dit model op de cliënten van toepassing is. Doel hierbij is om cliënten ‘door de bril van het model naar zichzelf’ te laten kijken, omdat dit ‘helpend en verduidelijkend’ kan zijn.

De inhoudsanalyse is uitgevoerd door twee cursusleiders, te weten een psychotherapeut en een psycholoog, beiden auteurs van het boek. Zij hebben ruim 2000 tekstelementen, afkomstig van 76 cliënten, samengevat en geanalyseerd tot 11 thema’s. De informatie en teksten zijn verkregen door middel van schrijfwijzers en vragenlijsten. In het kader van het Delphi-model is gebruik gemaakt van positieve beschrijvingen en zijn negatieve weggelaten. Ook tegenstrijdigheden zijn buiten beschouwing gelaten. In het boek worden ‘alleen de meest in het oog springende resultaten van de analyse van het materiaal inzake de Delphi-kenmerken weergegeven’.

De bijeengebrachte informatie is hypothetisch en geeft een overzicht van veel voorkomende en opmerkelijke kenmerken welke gezien zijn bij de deelnemende cliënten uit de praktijk van Van Thiel. De groep bestaat uit hoogbegaafde volwassenen ‘die op enige manier in hun leven zijn vastgelopen’. De vraag hierbij is hoe ‘gewoon’ en representatief de 76 deelnemers zijn, aangezien het personen betreft welke met een hulpvraag en eigen vermoeden van hoogbegaafdheid zich richten tot een praktijk met hoogbegaafdheid als specialisatie. Ook het uitsluiten van personen die te veel afwijken wegens een te ernstige problematiek kan de uitkomsten van het onderzoek beïnvloeden.

Aan de hand van de Delphi-kenmerken wordt een persoonlijkheidsbeschrijving gegeven. Hierbij worden de meest essentiële kenmerken benoemd om zo de essentie van een bepaald verschijnsel weer te geven (ideaaltype Weber). Volgens het Delphi-model heeft een hoogbegaafde altijd alle variabelen van dit model. De auteurs spreken van een ‘hoogbegaafde persoonlijkheidsconstellatie’ en beschouwen hoogbegaafdheid als ‘een bijzonder biologisch ‘substraat’, een ‘scherp en spits’ neurologisch systeem’. In het voorwoord schrijft Jan Derksen, dat de auteurs ‘het intrinsieke begrijpen van deze bijzondere en niet veel voorkomende staat van zijn’ belangrijker vinden dan de IQ-score. Zelf schrijven de auteurs dat het ‘gaat om twee heel verschillende concepten: intelligentie gaat (slechts) over het cognitieve functioneren, terwijl hoogbegaafdheid over de hele persoonlijkheid gaat.’. De IQ-score is van minder belang en wanneer een cliënt zich herkent in lijstjes en teksten over hoogbegaafdheid en de therapeuten zich daar bij kunnen aansluiten, dan is dat voldoende. Het gaat in samenspraak met de cliënt en ‘gaat zelden of nooit ‘fout’ in de zin dat wij ons vergissen’.

Wanneer bepaalde Delphi kenmerken minder of niet aanwezig zijn, dan zijn deze ‘weggestopt, verdrongen of vermeden’ en komen deze later ‘enigszins of vaak weer in ruime mate tot bloei’.

Positief is het wanneer iemand weer ruimte kan geven aan datgene wat hij of zij heeft proberen te ontkennen van zichzelf. Het kan bevrijdend zijn en veel betekenen voor het algehele welzijn. Omdat het gaat om een afhankelijkheidsrelatie van cliënt en hulpverlener is het hierbij van belang te weten op welke grond de therapeut verdrongen eigenschappen veronderstelt.

Ander punt van overweging is dat een persoonlijkheidsmodel gedrag en eigenschappen plaatst binnen bepaalde kaders. Terwijl gedrag complex is en altijd in een context staat, tijdgebonden is en onderhevig aan vele factoren. Een persoonlijkheidstypering kan inzicht geven, dat is ook het doel van het boek, inzicht en hulp bieden. Echter is het in kaart brengen van karakteristieken ten aanzien van een bepaalde groep altijd ook een beperking. Zo kan de indeling van baby’s in extravert of introvert en peuters in dat verlengde als zijnde ‘ondernemertjes of waarnemertjes’, verhelderend zijn, maar doet het de werkelijkheid ook tekort. Want hoe opvallend en veelvoorkomend een verschijnsel ook kan zijn, het is een veronderstelling, waaruit je niet kunt opmaken dat deze voor ieder individu altijd op zal gaan. Bepaalde eigenschappen en kenmerken zijn mogelijk ook op andere gronden te verklaren.

Dit erkennen de schrijvers ook en zij stellen dat uiteindelijk voor ieder individu persoonlijke oplossingen nodig zijn. Het Delphi-model en het boek kunnen hierbij als instrument dienen om meer inzicht te krijgen in hoogbegaafdheid.

Het wordt een doel op zichzelf wanneer personen zich te veel vereenzelvigen met welk persoonlijkheidstype dan ook, daarmee doet hij of zij zichzelf en anderen tekort.

De auteurs denken dat het Delphi-model ook behulpzaam kan zijn bij het bespreekbaar maken van de eigen hoogbegaafdheid. Het is inderdaad een goed idee om, wanneer je erover wenst te spreken, dit te doen aan de hand van mogelijke kenmerkende eigenschappen welke verband houden met het hoogbegaafd zijn. Op die manier hoef je niet direct de termen IQ en hoogbegaafdheid te noemen, wat nogal eens vervelende reacties kan opleveren. Aan de andere kant kun je je afvragen in wat voor positie je jezelf plaatst als je jezelf gaat uitleggen. Daarbij, wanneer iemand een ‘ik ben zo en zo’ verhaaltje begint, klinkt het al snel als ‘ik ben nou eenmaal zo’ en dat is meestal niet erg bevorderlijk voor de communicatie.

De stellige schrijfwijze van met name hoofdstukken 4 t/m 11 en het veelvuldig gebruik van woorden als ‘veel voorkomend’, ‘vaak’, ‘meestal’, ‘opmerkelijk’, ‘gebruikelijk’, ‘geregeld’, ‘opvallend weinig’, ‘lijken oververtegenwoordigd’, enzovoorts, kan de indruk wekken dat iedere hoogbegaafde op enigerlei wijze voldoet aan het beeld wat in het boek wordt beschreven. Veel voorbeelden worden gepresenteerd als kenmerkend voor de hoogbegaafde, waarbij er op bepaalde gebieden maar een beperkt aantal mogelijke gedragsstijlen wordt beschreven. Hier is waarschijnlijk bewust voor gekozen om het geheel overzichtelijk te houden en voornamelijk de essentiële kenmerken te behandelen. Wat daar buiten valt, wordt niet of slechts summier besproken.

Ondanks dat in de inleiding en het slot duidelijk is beschreven hoe het boek tot stand is gekomen, vraag je je tijdens het lezen toch geregeld af, hoe veel? Hoe vaak of hoe weinig? En in welke verhouding, welk verband? En waar is dit op gebaseerd?

Voor velen kan het boek een feest van herkenning zijn. De schrijvers hebben dan ook veel positieve reacties ontvangen naar aanleiding van het Delphi-model. Maar er zijn ook kritische geluiden, zoals een hoogbegaafde die stelde ‘dat goed functionerende en gelukkige hoogbegaafden ‘heel anders in elkaar zitten dan jullie clientèle’’. Dit doen de schrijvers af door te stellen dat deze kritiek komt van mensen die zich ‘niet weggezet willen zien als problematische mensen en die zich niet willen vereenzelvigen met ggz-publiek’. Dit is helaas wel een erg gemakkelijke manier om kritiek ter zijde te schuiven.

De schrijvers erkennen dat hun arbeid gekleurd is door hun ervaring met cliënten, maar zien dit eerder als een voordeel dan een nadeel. ‘Als wij, de informatie uit de schrijfwijzers samenvattend, stuitten op kennis die wij bij onze individuele cliënten niet herkenden, dan hebben wij die informatie iets minder zwaar laten wegen. En andersom, als wij de informatie ook in onze individuele behandelingen tegenkwamen, dan kreeg die wat meer gewicht.’

Het boek bespreekt verscheidene vooroordelen, zoals dat hoge intelligentie helemaal niet alles zegt en ‘intelligentie maar een ‘klein aspectje van het menselijk bestaan is’. Hoogbegaafdheid lijkt inderdaad veel meer te zijn dan alleen goed en snel kunnen denken. Doordat het boek is geschreven met de focus op hoogbegaafdheid, geeft het de suggestie dat hoogbegaafdheid welhaast de enige en doorslaggevende factor is welke de persoonlijkheid bepaalt. Het is zeker een belangrijke factor, welke invloed heeft op vele gebieden, maar daarnaast zijn er ook altijd andere factoren die een rol spelen in gedrag en persoonlijkheid. Het zenuwstelsel bepaalt een persoon, maar is niet het enige wat de mens tot mens maakt.

Samenvattend is ‘Kracht en kwetsbaarheid’ een boek vol informatie over hoogbegaafd zijn. Het boek geeft een uitgebreid overzicht aan kennis, welke herkenning en inzicht kunnen geven.

De ene lezer zal er mogelijk meer van zichzelf in herkennen dan de andere. Maar het is bovenal goed om ruimer aandacht te besteden aan de vele verschillende verschijningsvormen van hoogbegaafdheid.

Het boek is gebaseerd op kennis uit de praktijk en de verkregen informatie is niet getoetst of vergeleken met bestaande literatuur op het gebied van hoogbegaafdheid. In een voetnoot vermelden de auteurs dat dit mogelijk iets is voor een volgend project. Dat is iets om naar uit te kijken!

Voor wie verder wil lezen, biedt de literatuurlijst achterin het boek mogelijk interessante titels.

Kracht en kwetsbaarheid
Over het leven van hoogbegaafde volwassenen

Maud van Thiel en Imanda Slief-Boom
Uitgave van Oya Productions, Ede 2020
ISBN 978-90-9032384-8
Gelijmd, softcover, 219 bladzijdes.
Oya Productions is onderdeel van de praktijk voor psychotherapie van Maud van Thiel.

Naast ‘Kracht en kwetsbaarheid’ publiceerde zij eerder het boek ‘Hoogbegaafd. Dat zie je zó!’.

Recensie geschreven door F.S. Scholten 2020

Model naar waarneming

Toen ik op de kunstacademie voor het eerst naar modeltekenen ging, verwachtte ik anatomie les te krijgen. Dat bleek niet het geval. Er was een model, naakt of gekleed, om na te tekenen en schilderen. Hierbij werden soms opdrachten gegeven en er was altijd een docent aanwezig voor tips en adviezen. Al met al geen anatomische ontleding van het lichaam, maar werken naar waarneming.

Waarneming en perceptie

Het gaat om kijken, heel goed kijken en nadenken over wat je nou eigenlijk ziet. Waarneming gaat niet alleen over kleur en vorm, maar ook over ruimte, licht en perceptie. Waarneming is meer dan alleen zien, het is met al je zintuigen aandachtig en bewust observeren.

Perceptie: een proces van verwerven, registreren, interpreteren, selecteren en ordenen van zintuiglijke informatie.

Naar waarneming schilderen

Schilderen naar waarneming is veel meer dan vastleggen hoe, bijvoorbeeld de narcissen bloeien. Het is de energie van de lente die voorzichtig, maar ook krachtig uit het donker oplicht. Het is de wind die de bloemen zachtjes heen en weer wiegt, het zijn bloembollen die elk jaar bloeien en weer afsterven, het is de bloemengeur, enzovoorts. Zoals Cézanne zei: “Je zou de geur van bomen kunnen schilderen.”. De manier waarop de schilder zijn model observeert en interpreteert, bepaalt mede de wijze waarop het model in materiaal wordt omgezet.

Picasso
Bearded man with cigarette and his model, Picasso, 1964.

Een realistische waarheid?

Ik teken wel eens portret, maar nooit in opdracht. Om de simpele reden dat ik geen zin heb in gezeur over of iemand wel of niet ‘lijkt’. Het gaat me niet eens zozeer om of ik wel vakkundig genoeg zou zijn, want misschien ben ik gewoon een slecht portret tekenaar, maar meer nog is het werken naar waarneming, of dat nou stilleven, landschap of model is, iets wat ik nooit doe met de intentie dat het ‘echt moet lijken’. Dat is totaal oninteressant vind ik. Want wat is echt, waarheidsgetrouw of realistisch? En waarom dan geen foto?

Autonome kunst

Het gaat om waarneming, perceptie en hoe je dat kunt omzetten in verf op doek. Hoe nieuwe kennis door waarneming ontstaat en hoe je deze kunt verbeelden. Hierbij gaat het nooit over een objectieve observatie en evenmin om enkel persoonlijk subjectieve interpretatie. Want beiden staan niet op zichzelf, maar zijn afhankelijk van een bepaalde context, van regels en van waaruit ze voortkomen.

Kunst is vrij en bepaalt zelf de regels en verandert deze ook weer als dat zo uitkomt. Kunst is een context op zichzelf. Zoals Braque mooi zei: het schilderij heeft niet de bedoeling ‘een anekdotisch feit te reconstrueren’ maar een ‘picturaal feit te constitueren’. Het kunstwerk is niet een imitatie van de wereld, maar het is een wereld op zichzelf.

Naaktmodel in de kunst

Terug naar modeltekenen. Het idee van anatomieles komt uit de Renaissance, destijds was er veel aandacht voor anatomie in de kunsten en het naakt werd als ideale schoonheid verbeeld. Naakt was niet nieuw in de kunst, dat kwam al voor in de prehistorie in de vorm van venusbeeldjes, welke symbool staan voor vruchtbaarheid. In de middeleeuwen werd het naakt onder invloed van religie afgebeeld in de vorm van goden en Bijbelse figuren, zoals Adam en Eva. In de 19e eeuwse kunst wordt het naaktmodel steeds vrijer en meer alledaags weergegeven. Dit ging niet zonder slag of stoot, want voorheen mocht het naakt alleen kuis en niet te uitdagend of te realistisch worden afgebeeld. Bekend voorbeeld is het schilderij ‘Le dejeuner sur l’herbe’ van Edouard Manet, wat men in 1863 heel schokkend vond, omdat in dat schilderij het naakt door Manet uit zijn traditionele context is gehaald. In de loop van de 19e eeuw wordt het naaktmodel een zelfstandig onderwerp in de kunst en is het in diverse stromingen een belangrijk thema. Zo komt het naakt als onderwerp veel voor in het impressionisme, expressionisme, symbolisme en kubisme. In de 20e eeuw wordt het naaktmodel vastgelegd door nieuwe media als film en fotografie. En uiteindelijk wordt in de jaren zeventig het (naakte) lichaam zelf tot kunst verheven in de vorm van performance en body-art.

work in progress – close up mixed media, model collage

Modeltekenen als oefening en nieuw materiaal

Modeltekenen is ook gewoon leuk om te doen en een goede oefening. In de loop der jaren heb ik heel veel model getekend en geschilderd. Het zijn vooral schetsen, omdat de meeste standen vijf tot tien minuten duren. Veel is rechtstreeks de vuilnisbak in gegaan of op later tijdstip weg gegooid. Je kunt niet alles bewaren en veel schetsen stellen niet veel voor. Sinds kort verwerk ik ook modelschetsen in collage en ander schilderwerk. De combinatie van werk naar waarneming en vrij (abstract) werk is interessant en geeft nieuwe mogelijkheden in beeldtaal.

Meer over waarneming: https://hergens.net/tag/waarneming/

Kunst en de ervaringshorizon

Je hebt mensen die voor ze een film gaan kijken eerst opzoeken waar de film over gaat, wie de acteurs zijn en in welk jaar de film gemaakt is. Maar je hebt er ook die zonder enig vooronderzoek de film direct gaan bekijken. Afgezien van de beweegredenen, hebben beiden hun voor- en nadelen. Bepaalde kennis over een film of kunstwerk zal de blik van de toeschouwer beïnvloeden, de wijze waarop dit gebeurt is individueel verschillend.

Kunst en kennis

De kunstenaar bepaalt volgens persoonlijke criteria of een werk al dan niet voltooid is en de beschouwer interpreteert vervolgens op zijn eigen wijze het kunstwerk.
Kennis, zoals het ontstaan, tijd, plaats en informatie over de kunstenaar, beïnvloedt de interpretatie. De context van het kunstwerk speelt dan een rol in de beoordeling van de beschouwer. Maar de context van de beschouwer zelf speelt eveneens een belangrijke rol in zijn kunstbeleving.

Kennis en werkelijkheid

Achtergrondinformatie kan worden opgevat als een verrijking, maar ook als een verarming. Het kan meer inzicht geven, maar ook de vrije interpretatie belemmeren.

Hans-George Gadamer stelt dat er geen duidelijke scheiding is tussen kennis en werkelijkheid, tussen interpretatie en het kunstwerk. De interpretatie van kunst kan niet los gezien worden van de toeschouwer als individu.

De subjectieve interpretatie

Er is geen methode welke altijd een juiste interpretatie van het kunstwerk geeft. Je kunt je ook afvragen of dat wenselijk zou zijn en waarom? Want wie of wat bepaalt wat een goede of minder goede interpretatie van een kunstwerk is? Bestaat er wel zo iets als een objectieve werkelijkheid?

Iedereen interpreteert vanuit zijn eigen persoonlijke ‘ervaringshorizon’, zoals Gadamer dat noemt. Hij stelt dat kunstbeleving een ‘versmelting van enerzijds de ervaringshorizon van de kunstenaar en anderzijds die van de beschouwer’ is.

Betekeniswaarde van kunst

De waarde van een kunstwerk zou je kunnen bepalen aan de hand van het aantal interpretaties. Hoe meer betekenissen het kan geven, hoe waardevoller het werk is. Hoe meer interpretatiemogelijkheden, hoe meer het te bieden heeft.
Het kunstwerk heeft dan dus niet één bepaald nut, maar is op velerlei wijzen van waarde

Wat is de waarde van ongeziene kunst?

Volgende vraag is dan of een kunstwerk wat niemand ziet of gezien heeft, daarmee ook geen enkel nut heeft? Met andere woorden, heeft kunst zonder beschouwer waarde?

Zie ook: Als er een boom omvalt in het bos en er is niemand in de buurt, is er dan geluid?
hergens.net/how-charming-is-divine-philosophy/

Zie ook: Denken over kunst, een kennismaking met de kunstfilosofie van A. Van den Braembussche Google books

scheidend vermogen

Visuele poëzie

In het boek ‘To the hand‘ over het werk van Terry Thompson, schrijft Arno Kramer over het avontuur van de beeldtaal:

“Wanneer je je voorneemt als kunstenaar om in beeldend werk je ‘ervaringen’ en visies met de menselijke zintuigen vorm te geven, kun je twee kanten op. Je laat in je tekening precies zien wat je wilt zeggen, je illustreert je visie met een duidelijk beeld. Of je zoekt meer het avontuur en probeert die zintuigen, die van zichzelf natuurlijk vormeloos zijn en dus abstract, via je gevoelens ook een mate van abstractie mee te geven. Maar zo dat het invoelbaar wordt voor de beschouwer dat er meer is dan slechts die verzameling lijnen en vormen.”

Beeldtaal

In het laatste geval wat Kramer omschrijft, ontstaat een persoonlijke en oorspronkelijke beeldtaal. Terry Thompson schrijft hier zelf over in een vergelijking van poëzie met beeldende kunst:

“Poëzie in haar meest zuivere vorm is nooit letterlijk, illustratief, of louter persoonlijk maar universeel.”
“(…) werk dat dezelfde associatie- en reflectiemogelijkheden kent. Men zou deze inherente poëzie kunnen omschrijven als beeldtaal van het onderbewuste.”

Het onderbewuste

Dromen en het onderbewuste zijn geliefd in de beeldende kunsten, denk aan het Surrealisme.

Het onderbewuste wordt vaak in verband gebracht met dat wat vergeten en verdrongen is. “Onbekend met, instinctmatig, onwillekeurig, zielenleven” volgens het Nederlands woordenboek Van Dale. En “Met het onderbewuste worden geestelijke processen bedoeld die niet, of niet onmiddellijk, toegankelijk zijn en die niettemin iemands gedrag kunnen beïnvloeden.” aldus Wikipedia.

Associatieve vrijheid

Poëzie en kunst komen niet alleen voort uit onbewuste processen. Daarom zou ik in deze context liever spreken van creatieve en associatieve vrijheid. Het is een wisselwerking, het onderbewuste bestaat ook niet zonder het bewuste. Het gaat om de vrijheid, het onbelemmerde spel, waarin creativiteit en associatie kunnen bloeien.

To the hand, Terry Thompson.

Zie ook website Terry Thompson: terrythompson.nl