Recensie ‘Kracht en kwetsbaarheid, over het leven van hoogbegaafde volwassenen’

De hier volgende recensie schreef ik voor MB Berichten van de Mensa.
Helaas werd op verzoek van een van de auteurs de recensie niet gepubliceerd.

Het boek ‘Kracht en kwetsbaarheid’, is een informatief boek over hoogbegaafdheid. Het geeft een bredere kijk op begaafdheid en de vele mogelijke verschijningsvormen ervan. Voor de geïnteresseerde kan het veel informatie en herkenning geven.

Na een inleiding, een beschrijving van het Delphi-model hoogbegaafdheid, een hoofdstuk over beeldvorming en vooroordelen, volgen acht hoofdstukken waarin een chronologische ontwikkeling van baby tot volwassene wordt beschreven. In deze hoofdstukken gaat het over scholing, familie, opvoeding, relaties en carrière.

Anders dan veel andere boeken over hoogbegaafdheid, is het gebaseerd op verhalen en informatie van ‘door de auteurs groepsgewijs samengebrachte mensen die naar hun oordeel hoogbegaafd zijn’. Aan de hand van het Delphi-model hoogbegaafdheid, opgesteld door Van Thiel in 2008, is gekeken hoe en op welke wijze de kenmerken van dit model op de cliënten van toepassing is. Doel hierbij is om cliënten ‘door de bril van het model naar zichzelf’ te laten kijken, omdat dit ‘helpend en verduidelijkend’ kan zijn.

De inhoudsanalyse is uitgevoerd door twee cursusleiders, te weten een psychotherapeut en een psycholoog, beiden auteurs van het boek. Zij hebben ruim 2000 tekstelementen, afkomstig van 76 cliënten, samengevat en geanalyseerd tot 11 thema’s. De informatie en teksten zijn verkregen door middel van schrijfwijzers en vragenlijsten. In het kader van het Delphi-model is gebruik gemaakt van positieve beschrijvingen en zijn negatieve weggelaten. Ook tegenstrijdigheden zijn buiten beschouwing gelaten. In het boek worden ‘alleen de meest in het oog springende resultaten van de analyse van het materiaal inzake de Delphi-kenmerken weergegeven’.

De bijeengebrachte informatie is hypothetisch en geeft een overzicht van veel voorkomende en opmerkelijke kenmerken welke gezien zijn bij de deelnemende cliënten uit de praktijk van Van Thiel. De groep bestaat uit hoogbegaafde volwassenen ‘die op enige manier in hun leven zijn vastgelopen’. De vraag hierbij is hoe ‘gewoon’ en representatief de 76 deelnemers zijn, aangezien het personen betreft welke met een hulpvraag en eigen vermoeden van hoogbegaafdheid zich richten tot een praktijk met hoogbegaafdheid als specialisatie. Ook het uitsluiten van personen die te veel afwijken wegens een te ernstige problematiek kan de uitkomsten van het onderzoek beïnvloeden.

Aan de hand van de Delphi-kenmerken wordt een persoonlijkheidsbeschrijving gegeven. Hierbij worden de meest essentiële kenmerken benoemd om zo de essentie van een bepaald verschijnsel weer te geven (ideaaltype Weber). Volgens het Delphi-model heeft een hoogbegaafde altijd alle variabelen van dit model. De auteurs spreken van een ‘hoogbegaafde persoonlijkheidsconstellatie’ en beschouwen hoogbegaafdheid als ‘een bijzonder biologisch ‘substraat’, een ‘scherp en spits’ neurologisch systeem’. In het voorwoord schrijft Jan Derksen, dat de auteurs ‘het intrinsieke begrijpen van deze bijzondere en niet veel voorkomende staat van zijn’ belangrijker vinden dan de IQ-score. Zelf schrijven de auteurs dat het ‘gaat om twee heel verschillende concepten: intelligentie gaat (slechts) over het cognitieve functioneren, terwijl hoogbegaafdheid over de hele persoonlijkheid gaat.’. De IQ-score is van minder belang en wanneer een cliënt zich herkent in lijstjes en teksten over hoogbegaafdheid en de therapeuten zich daar bij kunnen aansluiten, dan is dat voldoende. Het gaat in samenspraak met de cliënt en ‘gaat zelden of nooit ‘fout’ in de zin dat wij ons vergissen’.

Wanneer bepaalde Delphi kenmerken minder of niet aanwezig zijn, dan zijn deze ‘weggestopt, verdrongen of vermeden’ en komen deze later ‘enigszins of vaak weer in ruime mate tot bloei’.

Positief is het wanneer iemand weer ruimte kan geven aan datgene wat hij of zij heeft proberen te ontkennen van zichzelf. Het kan bevrijdend zijn en veel betekenen voor het algehele welzijn. Omdat het gaat om een afhankelijkheidsrelatie van cliënt en hulpverlener is het hierbij van belang te weten op welke grond de therapeut verdrongen eigenschappen veronderstelt.

Ander punt van overweging is dat een persoonlijkheidsmodel gedrag en eigenschappen plaatst binnen bepaalde kaders. Terwijl gedrag complex is en altijd in een context staat, tijdgebonden is en onderhevig aan vele factoren. Een persoonlijkheidstypering kan inzicht geven, dat is ook het doel van het boek, inzicht en hulp bieden. Echter is het in kaart brengen van karakteristieken ten aanzien van een bepaalde groep altijd ook een beperking. Zo kan de indeling van baby’s in extravert of introvert en peuters in dat verlengde als zijnde ‘ondernemertjes of waarnemertjes’, verhelderend zijn, maar doet het de werkelijkheid ook tekort. Want hoe opvallend en veelvoorkomend een verschijnsel ook kan zijn, het is een veronderstelling, waaruit je niet kunt opmaken dat deze voor ieder individu altijd op zal gaan. Bepaalde eigenschappen en kenmerken zijn mogelijk ook op andere gronden te verklaren.

Dit erkennen de schrijvers ook en zij stellen dat uiteindelijk voor ieder individu persoonlijke oplossingen nodig zijn. Het Delphi-model en het boek kunnen hierbij als instrument dienen om meer inzicht te krijgen in hoogbegaafdheid.

Het wordt een doel op zichzelf wanneer personen zich te veel vereenzelvigen met welk persoonlijkheidstype dan ook, daarmee doet hij of zij zichzelf en anderen tekort.

De auteurs denken dat het Delphi-model ook behulpzaam kan zijn bij het bespreekbaar maken van de eigen hoogbegaafdheid. Het is inderdaad een goed idee om, wanneer je erover wenst te spreken, dit te doen aan de hand van mogelijke kenmerkende eigenschappen welke verband houden met het hoogbegaafd zijn. Op die manier hoef je niet direct de termen IQ en hoogbegaafdheid te noemen, wat nogal eens vervelende reacties kan opleveren. Aan de andere kant kun je je afvragen in wat voor positie je jezelf plaatst als je jezelf gaat uitleggen. Daarbij, wanneer iemand een ‘ik ben zo en zo’ verhaaltje begint, klinkt het al snel als ‘ik ben nou eenmaal zo’ en dat is meestal niet erg bevorderlijk voor de communicatie.

De stellige schrijfwijze van met name hoofdstukken 4 t/m 11 en het veelvuldig gebruik van woorden als ‘veel voorkomend’, ‘vaak’, ‘meestal’, ‘opmerkelijk’, ‘gebruikelijk’, ‘geregeld’, ‘opvallend weinig’, ‘lijken oververtegenwoordigd’, enzovoorts, kan de indruk wekken dat iedere hoogbegaafde op enigerlei wijze voldoet aan het beeld wat in het boek wordt beschreven. Veel voorbeelden worden gepresenteerd als kenmerkend voor de hoogbegaafde, waarbij er op bepaalde gebieden maar een beperkt aantal mogelijke gedragsstijlen wordt beschreven. Hier is waarschijnlijk bewust voor gekozen om het geheel overzichtelijk te houden en voornamelijk de essentiële kenmerken te behandelen. Wat daar buiten valt, wordt niet of slechts summier besproken.

Ondanks dat in de inleiding en het slot duidelijk is beschreven hoe het boek tot stand is gekomen, vraag je je tijdens het lezen toch geregeld af, hoe veel? Hoe vaak of hoe weinig? En in welke verhouding, welk verband? En waar is dit op gebaseerd?

Voor velen kan het boek een feest van herkenning zijn. De schrijvers hebben dan ook veel positieve reacties ontvangen naar aanleiding van het Delphi-model. Maar er zijn ook kritische geluiden, zoals een hoogbegaafde die stelde ‘dat goed functionerende en gelukkige hoogbegaafden ‘heel anders in elkaar zitten dan jullie clientèle’’. Dit doen de schrijvers af door te stellen dat deze kritiek komt van mensen die zich ‘niet weggezet willen zien als problematische mensen en die zich niet willen vereenzelvigen met ggz-publiek’. Dit is helaas wel een erg gemakkelijke manier om kritiek ter zijde te schuiven.

De schrijvers erkennen dat hun arbeid gekleurd is door hun ervaring met cliënten, maar zien dit eerder als een voordeel dan een nadeel. ‘Als wij, de informatie uit de schrijfwijzers samenvattend, stuitten op kennis die wij bij onze individuele cliënten niet herkenden, dan hebben wij die informatie iets minder zwaar laten wegen. En andersom, als wij de informatie ook in onze individuele behandelingen tegenkwamen, dan kreeg die wat meer gewicht.’

Het boek bespreekt verscheidene vooroordelen, zoals dat hoge intelligentie helemaal niet alles zegt en ‘intelligentie maar een ‘klein aspectje van het menselijk bestaan is’. Hoogbegaafdheid lijkt inderdaad veel meer te zijn dan alleen goed en snel kunnen denken. Doordat het boek is geschreven met de focus op hoogbegaafdheid, geeft het de suggestie dat hoogbegaafdheid welhaast de enige en doorslaggevende factor is welke de persoonlijkheid bepaalt. Het is zeker een belangrijke factor, welke invloed heeft op vele gebieden, maar daarnaast zijn er ook altijd andere factoren die een rol spelen in gedrag en persoonlijkheid. Het zenuwstelsel bepaalt een persoon, maar is niet het enige wat de mens tot mens maakt.

Samenvattend is ‘Kracht en kwetsbaarheid’ een boek vol informatie over hoogbegaafd zijn. Het boek geeft een uitgebreid overzicht aan kennis, welke herkenning en inzicht kunnen geven.

De ene lezer zal er mogelijk meer van zichzelf in herkennen dan de andere. Maar het is bovenal goed om ruimer aandacht te besteden aan de vele verschillende verschijningsvormen van hoogbegaafdheid.

Het boek is gebaseerd op kennis uit de praktijk en de verkregen informatie is niet getoetst of vergeleken met bestaande literatuur op het gebied van hoogbegaafdheid. In een voetnoot vermelden de auteurs dat dit mogelijk iets is voor een volgend project. Dat is iets om naar uit te kijken!

Voor wie verder wil lezen, biedt de literatuurlijst achterin het boek mogelijk interessante titels.

Kracht en kwetsbaarheid
Over het leven van hoogbegaafde volwassenen

Maud van Thiel en Imanda Slief-Boom
Uitgave van Oya Productions, Ede 2020
ISBN 978-90-9032384-8
Gelijmd, softcover, 219 bladzijdes.
Oya Productions is onderdeel van de praktijk voor psychotherapie van Maud van Thiel.

Naast ‘Kracht en kwetsbaarheid’ publiceerde zij eerder het boek ‘Hoogbegaafd. Dat zie je zó!’.

Recensie geschreven door F.S. Scholten 2020

Visuele poëzie

In het boek ‘To the hand‘ over het werk van Terry Thompson, schrijft Arno Kramer over het avontuur van de beeldtaal:

“Wanneer je je voorneemt als kunstenaar om in beeldend werk je ‘ervaringen’ en visies met de menselijke zintuigen vorm te geven, kun je twee kanten op. Je laat in je tekening precies zien wat je wilt zeggen, je illustreert je visie met een duidelijk beeld. Of je zoekt meer het avontuur en probeert die zintuigen, die van zichzelf natuurlijk vormeloos zijn en dus abstract, via je gevoelens ook een mate van abstractie mee te geven. Maar zo dat het invoelbaar wordt voor de beschouwer dat er meer is dan slechts die verzameling lijnen en vormen.”

Beeldtaal

In het laatste geval wat Kramer omschrijft, ontstaat een persoonlijke en oorspronkelijke beeldtaal. Terry Thompson schrijft hier zelf over in een vergelijking van poëzie met beeldende kunst:

“Poëzie in haar meest zuivere vorm is nooit letterlijk, illustratief, of louter persoonlijk maar universeel.”
“(…) werk dat dezelfde associatie- en reflectiemogelijkheden kent. Men zou deze inherente poëzie kunnen omschrijven als beeldtaal van het onderbewuste.”

Het onderbewuste

Dromen en het onderbewuste zijn geliefd in de beeldende kunsten, denk aan het Surrealisme.

Het onderbewuste wordt vaak in verband gebracht met dat wat vergeten en verdrongen is. “Onbekend met, instinctmatig, onwillekeurig, zielenleven” volgens het Nederlands woordenboek Van Dale. En “Met het onderbewuste worden geestelijke processen bedoeld die niet, of niet onmiddellijk, toegankelijk zijn en die niettemin iemands gedrag kunnen beïnvloeden.” aldus Wikipedia.

Associatieve vrijheid

Poëzie en kunst komen niet alleen voort uit onbewuste processen. Daarom zou ik in deze context liever spreken van creatieve en associatieve vrijheid. Het is een wisselwerking, het onderbewuste bestaat ook niet zonder het bewuste. Het gaat om de vrijheid, het onbelemmerde spel, waarin creativiteit en associatie kunnen bloeien.

To the hand, Terry Thompson.

Zie ook website Terry Thompson: terrythompson.nl

Paint it

Bij galerie Witteveen is tot en met 12 juli de groepsexpositie ‘Paint it’ te zien. De tentoonstelling bestaat uit schilderijen en is samengesteld door beeldend kunstenaar Arno Kramer. Zelf bekend van zijn tekenwerk, heeft Kramer gekozen voor krachtige, kleurrijke en overwegend figuratieve schilderkunst.

Levensgroot opent de expositie met twee schilderijen van Niels Smits van Burgst en Stijn Peeters. Beide schilderijen tonen een man in een landschappelijke omgeving.
Mr Ivanov, the Squirrel and the disappeared Tumblr-boy” van Niels Smits van Burgst, toont een jongeman, schuin van boven bezien, staand langs een keienpad. De jongen kijkt ietwat onnozel schuin omhoog naar de beschouwer, alsof hij betrapt is en zich een houding aanneemt van “maar ik wist niet dat…”. Het linkerdeel van het schilderij bestaat uit leeg wegdek en wat berm begroeiing. Niels Smits van Burgst benut zijn schildersdoeken tot de laatste centimeter. Het zijn massieve bouwwerken, welke door de fragmentarische schilderstoets toch luchtig en levendig overkomen.
Op het schilderij ‘Bone (medival style)’ van Stijn Peeters staat een man licht voorovergebogen, met de handen aan zijn mond. Het landschap op de achtergrond is leeg en opgebouwd uit gelaagde wolkenpartijen, welke in de verte overgaan in een horizon.
Het schilderij heeft net als het doek van Smits van Burgst een directe schilderstoets, maar is minder massief en meer open in lagen geschilderd. Het licht komt van achter de man en strijkt over zijn schouders, wat het geheel een zekere dramatiek geeft. De houding van de man versterkt dit eveneens. De plantengroei op de voorgrond is echter geheel uitgelicht, waardoor de dramatiek een vervreemdende werking krijgt.

Stijn Peeters

 

Tegenover deze twee indrukwekkende schildersdoeken hangt werk van Maartje Overmars en René Korten. Deze werken zijn kleiner van formaat, maar geven een kordaat antwoord. Van zowel Overmars als Korten is de schildertechniek afstandelijker en een persoonlijke schilderstoets lijkt nagenoeg afwezig. In deze schilderijen speelt het toeval, de techniek en het materiaal verf, een belangrijker rol. Al doet het werk bijna plat en grafisch aan, het is suggestief en spreekt tot de verbeelding.
Beiden geven ze tegenwicht aan de overvloed van kleurrijke figuratie in de tentoonstelling. Ze brengen de kijker zonder omwegen naar de essentie: verf op doek.

Als tussenakkoord twee schildersdoekjes, welke verbonden zijn met olieverf; “The fragile situation of two canvases not attached to each other”. Deze voorstelling bestaat uit twee gearmde jongemannen in een landschap. Door de onderwerpskeuze, schilderstrant en overvloedige olieverf sluit dit werk van Sam Samiee goed aan bij de voorgaande schilderijen.
Bij Andrea Freckmann wordt het landschap vervangen door interieur. ‘Lotte und die Nachtfalter’ is een redelijk groot doek waarop een vrouw een bezwerende dans uitvoert in een slaapkamer waarin planten de ruimte overwoekeren. Schilderen is bij Freckmann ongecompliceerd en oogt eenvoudig, de voorstellingen zijn frivool en bevreemdend.

Van open gelaagdheid, toeval of prominente schilderstoets is bij ‘Studio’ van Koen Ebeling Koning geen sprake. Het schilderij is bedachtzaam opgezet als een uitgewerkte tekening en toont de kunstenaar in zijn atelier. Door de schilderwijze, maar ook door de bevroren houding van de schilder, doet het denken aan een afbeelding uit een stripboek.
Een sober gekleurd doek ‘Girls with white ribbons’ van Chantal Spit tempert de kleurrijkdom in de tentoonstelling. Vijf meisjes zitten in een kring, een aandoenlijk, maar beklemmend tafereel. Het werk van Spit is verraderlijk van eenvoud, in de vlot geschilderde penseelstreek is een onbestendige sfeer gevangen.
Mirjam Hagoort sluit hierbij aan in grijstonen. Haar werk, een serie campinglandschappen, helt over de grens van schilderen naar mixed media en grafiek.

Na het ingetogen werk van Hagoort komt het in de achterruimte tot een kleurexplosie met de schilderijen ‘Synchronized’ en ‘Yours for ever’ van Gé-Karel van der Sterren.
Deze schilderijen doen evenals ‘Studio’ van Ebeling Koning denken aan stripboeken, vooral de beeldtaal van ‘Synchronized’. Echter bij Van der Sterren gaat het schilderij verder dan de voorstelling, welke verhalend en bijna gimmicks zijn. De schilderijen zijn vurig van kleur, spottend van voorstelling en tonen met compassie de onmachtige mens.

Gé-Karel van der Sterren

 

Ook bij Kars Persoon staat de mens centraal, maar dan op een meer intuïtieve wijze. Met een verfijnd palet worden de figuren vanuit verschillende invalshoeken geschilderd. Solide vorm wisselt af met transparantie en grove textuur met verfijnde details.
In de projectruimte verrast ‘The chair’ van Koen Ebeling Koning. Dit poëtische schilderij heeft net als ‘Studio’ het eigen atelier als onderwerp. Het toont een stoel staande voor een schilderij waarop twee liggende personen zijn afgebeeld.
Ook in de projectruimte hangt ‘Artist (for sale)’ van Smits van Burgst, waarop de kunstenaar zich voortsleept in de chaos van zijn atelier.

Tot slot zijn op de bovenverdieping naast Sam Samiee de portretten van Carla Kranendonk te zien. Zij combineert schilderen onder meer met collage. De Afrikaans aandoende portretten zijn statig, rijk gedecoreerd en kleurrijk.

Paint it’ laat de vitaliteit van de schilderkunst zien.
Ondanks de bonte stoet aan schilderijen blijft de tentoonstelling in balans.
De onderwerpen en schilderwijze hebben binnen de expositie hier en daar overeenkomsten, zoals figuratie, kleurgebruik, maar een duidelijke samenbindende thematiek is er niet.
Arno Kramer heeft zich in zijn keuze niet laten leiden door een specifiek onderwerp of thema, maar gekozen voor enthousiasme, toewijding en overgave aan de schilderkunst.

Deelnemende kunstenaars:
Koen Ebeling Koning, Andrea Freckmann. Mirjam Hagoort, René Korten, Carla Kranendonk, Maartje Overmars, Kars Persoon, Stijn Peeters, Sam Samiee, Niels Smits van Burgst, Chantal Spit, Gé-Karel van der Sterren.
Samenstelling o.l.v. Arno Kramer

Expositie ‘Paint it’ is te zien tot en met 12 juli 2014
Openingstijden: dinsdag t/m zaterdag 12-18 uur
Galerie Witteveen – Witteveen visual art centre
Konijnenstraat 16 A, Amsterdam
06/2014, F. Suzanne Scholten

Zie ook: Nieuwe Romantiek bij Galerie Witteveen https://hergens.net/nieuwe-romantiek-bij-galerie-witteveen/

Nieuwe Romantiek bij Galerie Witteveen

Recensie geschreven naar aanleiding van Workshop Kunstkritiek o.l.v. R. Perrée 2013.

De expositie ’Connected in difference’ in galerie Witteveen toont werk van 19 kunstenaars, van wie de meer dan 40 werken zeer uiteenlopend in stijl, onderwerp en vormgeving zijn. Gezamenlijk dragen zij met deze expositie een nieuwe romantiek uit. Een romantiek, waarin de mens zich niet enkel verhoudt met het grootse en natuurlijke landschap, maar waarin hij is overgeleverd aan zichzelf en zijn lot, in een wereld vol schoonheid, magie en rampspoed.
De tentoonstelling neemt je mee in een onbekende wereld, waarin bekoorlijkheid en beklemming elkaar afwisselen. Een opmerkelijk onderdeel zijn de statements van de deelnemende kunstenaars in woord en beeld.

Door de grote verschillen onderling vallen sommige werken uit de toon. Zoals de figuratieve foto’s van Marrigje de Maar en Harvey Lisse, welke op klassieke wijze verstilling en verlatenheid verbeelden. Bij nadere beschouwing van de expositie zijn deze foto’s als lijm en houden ze de expositie in balans. Zonder deze werken, waaronder ook de foto’s van Wout Berger, zou de expositie overhellen in dramatiek. Behalve als rustpunt, zijn zij als de triangel in het orkest, en geven extra subtiliteit aan de expositie.

Ander werk spreekt zich sterker uit en draagt de expositie. Zo word je bij binnenkomst meteen getroffen door het kleurrijk vrouwenportret van Gé-Karel van der Sterren. De verf is direct en hier en daar zeer pasteus op het doek aangebracht. Het kleurgebruik doet tropisch aan. De vrouw draagt een hoofdtooi in de vorm van een 18e eeuwse pruik. In tegenstelling tot het landschap en haar kledij bestaat haar gezicht en buste uit smeuïge vleesgeworden verfstreken, welke een landschap op zich vormen. Vanachter de verflaag kijkt ze ietwat verweesd opzij het beeld uit. De toon is gezet.

Gé-Karel van der Sterren, Z.T.

 

De kunstwerken in de tentoonstelling verleiden het oog met sprankelende kleurcombinaties en geraffineerde details. Ook de rangschikking van de werken onderling is weloverwogen. Elegant op elkaar aansluitend, dan weer onverwacht contrasterend.
In de eerste zaalruimte sluiten de werken poëtisch op elkaar aan in kleur en vormtaal. De bijna zoete kleurcombinaties overstemmen een zwarte grondtoon. Zoals de satijnen parasol en paraplu van Martin Fenne bescherming bieden tegen felle zon en regen.

Wat verderop in de expositie bekruipt hetzelfde gevoel je, wanneer je de foto’s van Diana Blok bekijkt. Op een zonnig strand slapen twee mannen, ’Sleepers with slippers’ is de titel, maar door de synchrone liggende houding met opgetrokken been, vraag je jezelf af of de mannen wel slapen of dat ze op iets wachten. Een volgende foto toont een zwevende man boven de horizon van de zee. Hij hangt in de lucht, op het dode punt, waarop de zwaartekracht het elk moment kan gaan overnemen. Als een Icarus, zwevend vrij met de eindeloze zee als achtergrond, maar gedoemd om naar beneden te vallen. De derde foto van Diana Blok toont een man, op de buik gelegen op een steiger aan het strand. Ook hier rijst de vraag wat de man daar doet. Op de buik gelegen met zijn hand onder de borst en met een doek om zijn hoofd, geeft hij, ondanks de titel ‘Sleeper in love’, niet de indruk ontspannen te slapen. Zijn houding en het strand bij eb geven meer de indruk dat hij is aangespoeld. Leeft hij eigenlijk nog wel?

Diana Blok, Sleeper in love, foto, ed. 2/5

 

In de derde en grootste zaalruimte komt de nieuwe romantiek volledig tot uiting. Een wereld waarin niets is wat het lijkt en de kijker is overgeleverd aan illusies.
Het schilderij van Gé-Karel van der Sterren toont in felle, bijna fluorescerende kleuren twee achtergelaten pumps en wat kleding op het strand. In de verte, aan de zeelijn, staat een vrouw. De lucht is donker en dreigend. Wacht ze op mij, als beschouwer, of ik ook het water in zal gaan? Of kijkt ze vertwijfeld achterom? Hier is geen sprake van een ongecompliceerde strandvakantie.
In de levensgrote ets ‘Verrijzen’ van Paul van Dongen, komt de vrije val van Diana Blok terug. Hierop zijn drie naakte mannen afgebeeld op het moment dat ze in de lucht hangen. Ze springen tegelijkertijd omhoog, maar het kan evengoed zijn dat ze worden weggeblazen door een explosie. De afgewende hoofden en de afwerende arm versterken dit laatste. Maar een realistisch oorlogstafereel is het niet, want ze zijn naakt. De vraag is welke kracht verheft deze mannen?
Van zoete kleur is allang geen sprake meer in de grote tekening ‘Beasts of Bethlehem’ van Ron Amir. Vol symboliek wordt hier een fragmentarisch visioen verbeeld in contrastrijk zwart en wit.
Hiertegenover staat de beeldengroep van Paul de Reus; een man, vrouw en kind. Het kind heeft in zijn ene arm een schaal pruttelende zeepsop en in zijn andere hand een bellenblaas. De man en de vrouw, die tegenover het kind staan, neigen hun hoofden naar elkaar toe, waartussen een grote doorzichtige luchtbel is geklemd. Zo houden ze samen de illusie hoog.
In deze grote zaalruimte is de symboliek niet mis te verstaan, de boodschap is duidelijk. De droom kan elk moment omslaan in een nachtmerrie.

Om aan deze dreiging te ontkomen, biedt een smalle doorgang naar de ruimte met werk van Hamid el Kanbouhi uitkomst. De besloten ruimte is als een kleine tempel, waar je tijdelijk tot rust komt. De keramische beeldjes in het midden en de schilderijen sluiten perfect bij elkaar aan en zijn harmonisch opgesteld. De kleine reeks schilderijen zijn opgebouwd uit verschillende lagen, alsof de maker de onderlaag heeft overgeschilderd. Vanuit deze maskerade verschijnen steeds nieuwe figuren. Als een optische illusie doen deze denken aan de zaal-strik van René Daniëls. En zo blijkt ook hier niets te zijn zoals het lijkt.

Hamid el Kanbouhi, Kamschierologie, Het Nieuws, keramiek

 

Van Chantal Spit hangen in de bovenruimte een aantal schilderijen, waaronder ‘Twee meiden’. Hierop staan twee ouderwets en onschuldig aandoende meisjes in een grauw landschap. Zij wachten op wat er komen gaat. In dezelfde ruimte hangt de tekening – installatie van Joyce Zwerver. Op het eerste gezicht een verzameling vieze tissues, totdat je opeens hier en daar figuren ontdekt in de vlekken. Ze doen denken aan negatieven van foto’s. De bevlekte tissues krijgen een lading, alsof het sporen zijn van een gebeurtenis. Doordat ze geordend in rijen hangen, wordt het beeld versterkt dat het hier gaat om een reconstructie of bewijslast.

De expositie ‘Connected in difference’ toont een veelzijdig beeld van een begoochelde wereld, waarin esthetiek en subtiele ironie het onheil op afstand houden. Een illusoire belevenis, waarbij zowel gevoel als verstand worden aangesproken.

De kunstenaarsstatements zijn ontnuchterend. Zoals het bevrijdende statement van Chantal Spit luidt: “De vogel zingt, omdat de vogel zingt.”.

De expositie bij galerie Witteveen is nog te zien tot en met 21 december 2013.

Deelnemende kunstenaars:
Ron Amir, Wout Berger, PJ Bruyniks, Diana Blok, Paul van Dongen, Martin Fenne, Hamid El Kanbouhi, Jasper van der Graaf, Nour-Eddine Jarram, Esther Jiskoot, Harvey Lisse, Marrigje de Maar, Joachim Nieuwhof, Paul de Reus, Eva Roovers, Kura Shomali, Chantal Spit, Gé-Karel van der Sterren en Joyce Zwerver.

Curators: Rob Perrée en Oeke Witteveen

Witteveen visual art centre
Openingstijden: dinsdag t/m zaterdag: 12:00 – 18:00 uur
Konijnenstraat 16 A – 1016 SL Amsterdam
t. 020 – 623 96 84
www.galeriewitteveen.nl

15 dec. 2013, F. Suzanne Scholten