Kunst en Poëzie

Dichteres en filosofe Judith Omtzigt en beeldend kunstenares F. Suzanne Scholten begonnen in 2019 aan de samenstelling van een uitgave waarbinnen poëzie en beeldende kunst hand in hand gaan.

In de bundel vergezellen poëzie en kunst elkaar. Zo wordt een facetrijke beleving van een thema tot stand gebracht. Ook de thematiek zelf draait steeds opnieuw om het zich verbinden: met diepere gevoelens, een ander mens, met het onvermijdelijke, met de zeegod Poseidon, met een wereld vol onverwachte kleuren.

Uitgave Metgezel

Begin 2020 werd na overleg met uitgeverij Lecturis besloten om in maart een crowdfundingsproject te starten om de publicatie van de bundel te financieren. Maar toen was daar opeens het coronavirus, waardoor de publicatie tot nader orde is uitgesteld.

De bundel met als werktitel Metgezel bevat ca. 27 gedichten en 21 schilderingen.
Op deze pagina staan hiervan enkele voorbeelden.

Over de makers

Judith Omtzigt (1975) bracht haar jeugd door op het Gelderse platteland. Vervolgens studeerde ze Wijsbegeerte aan de universiteit van Utrecht. Aan de universiteit van Heidelberg in Duitsland promoveerde en doceerde ze in de kunstfilosofie van de Grieks-Romeinse Oudheid. Haar ingetogen poëzie werd herhaaldelijk bekroond in dichtwedstrijden van het Nederlandse taalgebied.
Meer informatie: https://sites.google.com/site/judithomtzigt/

F. Suzanne Scholten (1973) is beeldend kunstenaar. Haar kleurrijke werk bestaat uit schilderijen en textiele werken. In 1998 studeerde zij cum laude af aan de Hogeschool voor de Kunsten Constantijn Huygens te Kampen. Meer informatie: https://hergens.net/

Poëzie en schilderkunst

Dr. Judith Omtzigt – gedichten
F. Suzanne Scholten – schilderingen

Eva was een kamermeisje

EVA WAS EEN KAMERMEISJE

Paradijzen laten me koud. Die met roomservice
en die waar je in moet geloven. Ik geloof niet
dat in een vlaag satijn het stormen
van een huis verstomt. Het is daarom dat ik
naar vlijtig schrobben neig en ik vermoed
dat dan het lappen van de ramen komt

en dat daarachter
de tuin zich plotseling in onbekende kleuren
voor je uitstrekt – reflecties van een trager licht –
en je je in je naaktheid méér geborgen weet.

Het is een bestemming die niet geboekt
kan worden. Het is een weg die niet
vooruitstreeft, maar ontkleedt.

Het hardnekkigste virus

HET HARDNEKKIGSTE VIRUS

Tederheid is een ingrijpende besmetting.
Voor je het weet lig je eruit – doe je
niet meer mee in de wedloop
om de betoverendste toneelrol,
dans je niet meer op het geluid
van vallende tranen van verliezers.

Een handdruk die lang
maar niet verlammend is,
een blik die gericht is op onzichtbaren,
de ontboezeming die plotseling
het licht verandert –

als door een goddelijke magneet
aangedreven, haasten we ons terug
naar waar we ooit als griepende kinderen
dagdromend in bed lagen.

Catharsis

CATHARSIS

Deze woorden zijn voor de gestorvenen,
en voor de grenzen aan ons weten,
en de vreeswekkende tragedies
van geliefden en vergetenen.

En voor het alledaagse onrecht
dat vals spel haast nooit wordt berecht.

Zodat ik de nieuwe dag
zo zacht ontving –
het lijden vindt
in taal bevrijding.

Poseidon

POSEIDON

Aan mijn wijsheid voeg jij grootsheid toe
als blinde kans het stuurwiel uit de handen
van onbewogen zeeën rukt, als mijn schip
onder verstijving van de tijd zucht,
als een raadsel waarheid meer gehoorzaamt
dan een zeemansklucht.

Maar het meeste voeg je aan mij toe
door steeds opnieuw die bange schippershond
te zijn, die uit angst niet op de kade springt,
die mijn geduld tot ongeziene grootsheid dwingt.

Onnatuurlijke dood

ONNATUURLIJKE DOOD

De woorden die het zeggen,
weet dat geen sterveling ze vindt –
niemand weet waarmee het alfabet
van de huivering begint.

En als in het duister
de nachtegaal zingt,
dringt dit tot me door:
dat de hemel mogelijk was,
al die tijd – hiervóór.

Metgezel

METGEZEL

Laat aan mij de donkerte
en het zonderlinge dwalen.

Gun mij een bezem
van pijn en spijt.

Steeds van voor af aan
begin ik gewichtloos.

Steeds langer ben ik licht
als ik de nacht durf in te gaan.

Het Meer

HET MEER

Ik stond al aan dit meer
toen ik nog een kind was –
de tranen van mijn ouders
gleden zilt langs mijn gezicht.
Ik zag mijn ware spiegeling
toen al. Het koele water hield
mijn gedachten bij elkaar.

Intussen is het aan zijn oevers
vol geworden met kromme
ruggen en versleten handen.
Mensen wassen rimpels
in zijn rimpeling.

Waar ik ook kijk
raakt de tijd het water.